We varen de nacht in met een ruimteschip vol donkere gedachten. De jongen ligt naast me in een zacht moment, in goudomrande uren. Het licht verandert ons, we spinnen draad van stro. Hij vertrekt op sokken, laat een spoor van zand dat ik in de verste verte niet kan volgen.
Lees verder in MUGzine 23